Aanvang terbeschikkingstelling

23 april 2010 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJN BM0473, 09/01777

De verhuur door een aanmerkelijk belanghouder van een bedrijfspand aan zijn BV valt met ingang van 1 januari 2001 als resultaat uit een werkzaamheid in box 1 van de inkomstenbelasting. Niet alleen de opbrengsten zijn belast, maar ook de tijdens de duur van deze zogenaamde terbeschikkingstelling behaalde meerwaarde. Over de vraag wanneer een terbeschikkingstelling begint zijn al meerdere procedures gevoerd. Het belang daarvan ligt in de toerekening van kosten die de eigenaar van het vermogensbestanddeel maakt. Alleen als deze kosten betrekking hebben op de periode van terbeschikkingstelling zijn ze aftrekbaar.

Volgens de Hoge Raad begint de terbeschikkingstelling van een pand op het moment waarop het wordt aangeschaft, als het wordt aangeschaft met de bedoeling van beide partijen dat de BV het pand gaat gebruiken. Als beperking voor de aanvang van de terbeschikkingstelling bij de aanschaf van een pand geldt ander gebruik van het pand.

Wanneer de onroerende zaak al eigendom is van de aanmerkelijk belanghouder maar aanvankelijk wordt verhuurd aan derden, begint de terbeschikkingstelling aan de eigen BV op het moment waarop de verhuur aan de derden eindigt als op dat tijdstip de gezamenlijke bedoeling is dat de BV de onroerende zaak gaat gebruiken en de zaak daarvoor wordt gereedgemaakt. Ook dan geldt de beperking dat vanaf dat moment geen andere gebruik aan het pand mag worden gegeven.

De Hoge Raad heeft een andersluidende uitspraak van Hof Arnhem vernietigd. Het hof meende dat het moment waarop de feitelijke terbeschikkingstelling van een vermogensbestanddeel begint bepalend is.