5 maart 2010 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJN BF2227, 08/00327
Het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een "eigen" BV is een uitbreiding van het begrip werkzaamheid. Voor toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling is cruciaal dat feitelijk vermogen beschikbaar wordt gesteld. De vraag is op welk moment de terbeschikkingstelling aanvangt. Voor ondernemers geldt dat ook de voorbereidingsfase al meetelt, zelfs als de uiteindelijke materiƫle onderneming nooit tot stand komt. Dat betekent dat de in de voorbereidingsfase gemaakte kosten aftrekbaar zijn. De regels van de winst uit onderneming zijn ook van toepassing op vermogensbestanddelen die onder de terbeschikkingstellingsregeling vallen. Dat zou dus inhouden dat ook bij resultaatgenieters de voorbereidingshandelingen al meetellen.
Hof Den Bosch concludeerde op basis van de wetsgeschiedenis en de wettekst dat voor de belastingheffing zo min mogelijk verschil gemaakt moet worden tussen ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen en vermogensbestanddelen die tot een ondernemingsvermogen behoren. Een vermogensbestanddeel dat is aangeschaft om ter beschikking gesteld te worden is vanaf het moment van de aanschaf onderdeel van het verplicht "werkzaamheidsvermogen" en niet pas vanaf het moment waarop het vermogensbestanddeel bedrijfsklaar is.
De Hoge Raad deelt deze opvatting. Wanneer bij de aanschaf van een onroerende zaak zowel de dga als de BV de bedoeling hebben dat de BV deze zaak gaat gebruiken en de zaak voor dat gebruik gereed wordt gemaakt is vanaf de aanschaf sprake van terbeschikkingstelling. Dat kan ook gelden als de gezamenlijke bedoeling niet in een overeenkomst is vastgelegd. Voorwaarde voor terbeschikkingstelling bij de aanschaf van een onroerende zaak is dat er geen ander gebruik van de onroerende zaak plaatsvindt.