25 mei 2009 | Hof Arnhem | jurisprudentie | LJN BI3214, 07/00562
De verhuur door een aanmerkelijk belanghouder van een bedrijfspand aan zijn BV valt met ingang van 1 januari 2001 als resultaat uit een werkzaamheid in box 1 van de inkomstenbelasting. Niet alleen de opbrengsten zijn belast, maar ook de tijdens de duur van deze zogenaamde terbeschikkingstelling behaalde meerwaarde is belast. Over de vraag wanneer een terbeschikkingstelling begint zijn al meerdere procedures gevoerd. Het belang daarvan ligt in de toerekening van kosten die de eigenaar van het vermogensbestanddeel maakt. Alleen als deze kosten betrekking hebben op de periode van terbeschikkingstelling zijn ze aftrekbaar. Onder verwijzing naar een conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad uit 2008 is Hof Arnhem van oordeel dat het moment waarop de feitelijke terbeschikkingstelling van een vermogensbestanddeel begint bepalend is. Verder is het Hof van oordeel dat ook een gedeelte van een vermogensbestanddeel onder de terbeschikkingstellingsregeling kan vallen.
Het Hof moest oordelen in een casus die betrekking had op een door een DGA aan de BV verhuurd pand. Al vóór 1 januari 2001 werd een deel van het pand aan de BV verhuurd. Een ander gedeelte van het pand werd verbouwd, vernieuwd en uitgebreid en met ingang van 1 september 2001 feitelijk ter beschikking gesteld aan de BV. Volgens het Hof viel dat gedeelte van het pand pas vanaf die datum onder de terbeschikkingstellingsregeling. De werkzaamheden aan het pand waren niet in opdracht of voor rekening van de BV verricht. Wel waren de werkzaamheden afgestemd op het toekomstige gebruik door de BV. Dat was voor het Hof geen aanleiding om de voor 1 september 2001 gemaakte kosten toe te rekenen aan de terbeschikkingstelling of om te oordelen dat de terbeschikkingstelling op een eerder moment was begonnen.