5 augustus 2011 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJNBO0389, 09/03341
Een bank verstrekte een krediet aan drie BV’s en hun twee aandeelhouders/natuurlijke personen gezamenlijk. Het gehele kredietbedrag werd feitelijk ter beschikking gesteld van een van de BV’s en gebruikt voor haar bedrijfsuitoefening. Nadat deze BV failliet werd verklaard, vorderde de bank onmiddellijke terugbetaling van het openstaande bedrag. Alle kredietnemers waren hoofdelijk aansprakelijk voor de schuld aan de bank. In verband daarmee schreef de bank een bedrag van € 7.212 af van een rekening die een van de aandeelhouders bij de bank aanhield. De aandeelhouder kreeg door deze betaling een regresvordering voor het betaalde bedrag op de failliete BV. Een dergelijke vordering valt onder de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 van de inkomstenbelasting. De vraag was welk gedeelte van dit bedrag door de aandeelhouder als verlies uit overige werkzaamheden in aanmerking mocht worden genomen.
Hof Den Haag was van oordeel dat de aandeelhouder 2/5 deel van het betaalde bedrag als verlies in aanmerking mocht nemen. Voor het resterende deel kon de aandeelhouder immers verhaal zoeken bij de drie andere, niet failliete kredietnemers.
De Hoge Raad oordeelde anders. De vier resterende schuldenaren waren ieder hoofdelijk aansprakelijk. Onderling hadden zij geen andere verdeling afgesproken, zodat de betaling van het bedrag van € 7.212 moest worden verdeeld over de vier resterende kredietnemers. Dat betekende dat de betaler voor 3/4 deel verhaal had op de andere kredietnemers en dat 1/4deel van de betaling ten laste van zijn inkomen kon worden gebracht.