21 juni 2012 | Rechtbank | jurisprudentie | LJNBW7011, AWB 10/940 tot en met 10/944
Een naar Nederlands recht opgerichte BV wordt op grond van de Wet op de Vennootschapsbelasting naar nationaal recht geacht in Nederland te zijn gevestigd. Voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk werd een rechtspersoon, die inwoner
was van zowel Nederland als de (voormalige) Nederlandse Antillen, geacht inwoner te zijn van het land waar de werkelijke leiding was gevestigd. Deze bepaling gold niet voor een rechtspersoon die in een jaar inwoner stelde te zijn van een van de landen en daar
recht had op een aanzienlijk afwijkend belastingtarief en die in het voorafgaande jaar inwoner was van een van de andere landen van het Koninkrijk, tenzij de rechtspersoon aantoonde dat de werkelijke leiding in het eerstbedoelde land was gevestigd.
Onder verwijzing naar een uitspraak van Hof Arnhem uit 2011 is de rechtbank Leeuwarden van mening dat het hier niet de verzwaarde vorm van bewijs betreft, maar de gebruikelijke vorm van bewijs bestaande uit aannemelijk maken. Volgens de rechtbank geldt als
uitgangspunt voor de beoordeling van de vestigingsplaats van een rechtspersoon dat de werkelijke leiding berust bij het bestuur en dat de vestigingsplaats de plaats is waar het bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent. Wanneer aannemelijk is dat de werkelijke
leiding door een ander dan het bestuur wordt uitgeoefend kan de vestigingsplaats een andere plaats zijn, namelijk de plaats van waaruit die ander de leiding uitoefent.
In deze procedure kwam de rechtbank tot de conclusie dat de BV aannemelijk had gemaakt dat haar werkelijke leiding vanaf 7 december 2001 op de Nederlandse Antillen lag.