14 mei 2007 | Centrale Raad van Beroep | jurisprudentie | LJN: AT2028, 03/2959
Een BV oefende een accountants- en belastingconsulentenpraktijk uit. De aandelen waren als volgt onder de vier aandeelhouders verdeeld: 28,57%, 35,79%, 17,86% en 17,86%. Alle aandeelhouders waren bestuurder van de onderneming. Zij ontvingen via hun persoonlijke holding een arbeidsbeloning. Naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep was er sprake van gezagsverhoudingen voor alle directeuren omdat zij minderheidsaandeelhouders waren en er door de verschillende verdeling van de aandelen geen gezamenlijk ondernemerschap was. Omdat er een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en een loonbetalingsverplichting bestonden was er sprake van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen en daarmede van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen.