6 mei 2011 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJNBQ2830, 10/02956
Een werknemer die de beschikking heeft over een auto van de zaak wordt geconfronteerd met een bijtelling bij zijn inkomen voor het privégebruik van de auto, tenzij de werknemer bewijst dat hij met de auto op jaarbasis niet meer dan 500 km privé heeft gereden. In een arrest uit het jaar 2000 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het gebruik van een auto van de zaak voor een andere dienstbetrekking als privégebruik geldt. Er is geen sprake van privégebruik als de auto mede namens de andere werkgever ter beschikking is gesteld of als de tweede dienstbetrekking wordt uitgeoefend in het kader van de eerste dienstbetrekking.
Hof Den Haag oordeelde dat het mede ter beschikking stellen van de auto door een andere werkgever inhoudt dat deze werkgever de kosten van het gebruik van de auto voor de voor hem verrichte werkzaamheden volledig voor zijn rekening neemt. Dat zou betekenen dat de integrale kostprijs van de gereden kilometers moet worden doorbelast. Wanneer niet de volledige kosten van de auto worden doorberekend zou de auto niet mede namens de tweede werkgever ter beschikking van de werknemer worden gesteld. Volgens de Hoge Raad is deze opvatting onjuist. De gehele of gedeeltelijke doorberekening van de kosten van het gebruik van een auto volstaat niet om te constateren dat de auto mede ter beschikking wordt gesteld door degene die deze kosten voor zijn rekening neemt.