27 februari 2009 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJN AZ2232, 42701
Bij de emigratie van een aanmerkelijk belanghouder legt Nederland een conserverende aanslag op over de waardeaangroei van de aandelen. Om die aanslag op te kunnen leggen gaat de wet uit van een fictieve vervreemding van de aanmerkelijk belangaandelen op het moment dat onmiddellijk voorafgaat aan de emigratie. De aanslag wordt alleen ingevorderd bij daadwerkelijke vervreemding van de aandelen binnen 10 jaar na emigratie. Door het heffingsmoment voor de emigratie te leggen kan de aanmerkelijk belanghouder in beginsel geen beroep doen op een belastingverdrag met het nieuwe woonland. De heffing bij emigratie kan wel in strijd zijn met de goede trouw bij de uitlegging en toepassing van het belastingverdrag, als het gaat om een voordeel dat eigenlijk in de immigratiestaat belast zou mogen worden.