22 januari 2010 | Rechtbank | jurisprudentie | LJN 3693, AWB 08/6247
Een werknemer die werkzaamheden verricht voor een BV waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, moet daarvoor een gebruikelijk loon ontvangen. Dat loon bedroeg in het verleden tenminste de maximale premiegrondslag
voor de WAZ (ongeveer € 38.000). De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2004 bepaald dat wanneer de opbrengsten van de BV geheel voortvloeien uit de door de directeur verrichte arbeid, het gebruikelijk loon mag worden bepaald met behulp van de zogenaamde afroommethode.
Die houdt in dat het gebruikelijk loon gelijk is aan de opbrengsten van de BV, verminderd met de kosten, lasten en afschrijvingen.
In een arrest uit 2005 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de gebruikelijkloonregeling in concernsituaties per dienstbetrekking moet worden toegepast.
De rechtbank Den Haag moest oordelen over de volgende situatie. Een dga had alle aandelen in een holding-BV. De holding had 50% van de aandelen in een werkmaatschappij. De holding leende de dga uit aan de werkmaatschappij. De belastingdienst stelde het
gebruikelijk loon voor de werkzaamheden voor de holding op € 38.118. De holding toonde aan dat de werkzaamheden van de dga zeer beperkt van omvang waren (minder dan 1% van zijn totale arbeidstijd). De rechtbank vond dat aan deze
werkzaamheden slechts een zeer beperkt loon van € 500 per jaar moest worden toegekend.
Het gebruikelijk loon voor de werkzaamheden voor de werkmaatschappij werd door de belastingdienst op een hoger bedrag dan € 38.118 vastgesteld. De belastingdienst gebruikte daarvoor de afroommethode. Volgens de rechtbank mocht die
echter niet worden gebruikt. In het arrest van de Hoge Raad ging het om een zogenaamde enkelvoudige BV. Hier ging het om een holding die 50% van de aandelen in een werkmaatschappij hield. De werkmaatschappij had ook ander personeel in dienst. In een dergelijke
situatie geldt niet dat de opbrengsten van de werkmaatschappij vrijwel geheel voortvloeien uit de door de dga verrichte arbeid.
Gelet op de aard van de door de dga verrichte werkzaamheden zou een werknemer die geen aanmerkelijk belanghouder was volgens de CAO een salaris tussen € 47.000 en € 52.000 hebben verdiend. De holding had feitelijk een hoger salaris
betaald in de betreffende jaren. De rechtbank heeft daarom de naheffingsaanslag vernietigd.