Geen omkering bewijslast

21 augustus 2009 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJN BJ5159, 42913

Net als voor de toepassing van de belastingwetgeving geldt voor de Douanewet dat een ondernemer verplicht is om op verzoek van de inspecteur zijn administratie ter inzage te geven. Het gaat om alle boeken en bescheiden die van belang kunnen zijn voor de heffing van douanerechten. Voldoet een ondernemer niet aan die verplichting, dan kan dat gevolgen hebben in een eventuele procedure. De bewijslast kan dan namelijk worden omgekeerd en verzwaard. Staat niet vast dat de inspecteur een verzoek heeft gedaan om inzage in de administratie, dan is omkering van de bewijslast niet aan de orde.

Ook de rechter kan tijdens een procedure inzage vragen in stukken die niet bij de processtukken zijn gevoegd, maar die van belang kunnen zijn voor de procedure. Als de belanghebbende weigert om de gevraagde stukken te overhandigen, kan de rechter hem erop wijzen dat hij verplicht is om de verlangde inlichtingen te geven. Een weigering nadat de belanghebbende op zijn verplichting is gewezen heeft gevolgen voor de procespositie. Ook in dat geval kan de rechter de bewijslast omkeren en verzwaren. Wijst de rechter de belanghebbende niet op zijn verplichting om inzage in gevraagde stukken te verlenen, dan is omkering van de bewijslast niet aan de orde.

De procedure had betrekking op een bedrijf dat wereldwijd schoenen van een bepaald merk verkoopt. De schoenen werden gefabriceerd in verschillende landen in Azië. Bij de invoeraangiften werden voor het bepalen van de douanewaarde facturen gevoegd van de fabrikanten. De op die facturen vermelde prijs voor de schoenen was de basis voor de douanewaarde. Later bleek dat het bedrijf een licentieovereenkomst had gesloten met haar moedermaatschappij. Volgens deze overeenkomst mocht het bedrijf tegen betaling van royalty's het merk aanbrengen op de te verkopen schoenen. De betaalde royalty's waren niet in de douanewaarde begrepen. De inspecteur legde een naheffing van douanerechten op, uitgaande van een hogere douanewaarde.

Ondanks een verzoek van het Hof daartoe wilde het bedrijf de met de fabrikanten gesloten 'manufacturing' contracten niet overhandigen. In plaats daarvan verstrekte het bedrijf twee identieke verklaringen, één van zichzelf en de andere van de moedermaatschappij. Het Hof oordeelde op grond van deze verklaringen dat de royaltybetalingen niet in de douanewaarde hoefden te worden begrepen. De Hoge Raad oordeelde in cassatie dat het Hof terecht geen gevolgen had verbonden aan de weigering van het bedrijf om de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Het Hof had het bedrijf namelijk niet op de verplichting daartoe gewezen.