3 november 2008 | Hof Amsterdam | jurisprudentie | LJNBG3826, 07/937
Ondernemers hebben recht op aftrek van de omzetbelasting die zij verschuldigd zijn geworden bij de invoer van voor hen bestemde goederen, op voorwaarde dat zij de ingevoerde goederen gebruiken in het kader van hun onderneming. De betreffende bepaling in de nationale wetgeving is gebaseerd op de Zesde EG-richtlijn waarin staat dat, voor zover goederen worden gebruikt voor belaste handelingen, belastingplichtigen recht hebben op aftrek van de belasting die is verschuldigd of voldaan voor ingevoerde goederen. De richtlijn bepaalt verder dat er een document moet zijn waaruit blijkt dat goederen zijn ingevoerd en waarin de belastingplichtige wordt genoemd als de importeur of als degene voor wie de ingevoerde goederen zijn bestemd. Als aan de voorwaarde van gebruik van de goederen in het kader van de onderneming niet is voldaan, is het bezit van het hiervoor genoemde document alleen onvoldoende om een recht op aftrek te laten ontstaan.