Geldigheid concurrentiebeding

28 maart 2008 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJNBC0384, C06/269HR

Een concurrentiebeding beperkt een werknemer na de beëindiging van zijn dienstbetrekking in zijn mogelijkheden om elders te werken. Daarom moet een concurrentiebeding, wil het rechtsgeldig zijn, schriftelijk zijn vastgelegd en door de werknemer zijn geaccepteerd. De schriftelijke vastlegging van het concurrentiebeding kan gedaan worden in de arbeidsovereenkomst of in een afzonderlijk stuk, waarnaar in de arbeidsovereenkomst of een begeleidende brief wordt verwezen. Het is dan voor de geldigheid van het concurrentiebeding niet nodig dat dit afzonderlijke stuk door de werknemer wordt ondertekend, zolang maar blijkt dat de werknemer heeft ingestemd met het concurrentiebeding. Dat kan blijken uit de ondertekening van de arbeidsovereenkomst of uit de ondertekening voor akkoord van de begeleidende brief. Aan de vereiste schriftelijke vastlegging is niet voldaan als de werknemer zich schriftelijk akkoord verklaart met de inhoud van een document waarin een concurrentiebeding voorkomt als het niet als bijlage aan de werknemer is toegestuurd, tenzij de werknemer uitdrukkelijk verklaart dat hij met het concurrentiebeding instemt.