5 januari 2012 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJNBU3685, 10/01366
Het staat ondernemers vrij om hun onderneming uit te oefenen met alle daartoe nodig geachte vermogensbestanddelen op de wijze waarop zij menen dat nuttig is. Uitgangspunt voor de heffing van vennootschapsbelasting is het werkelijk behaalde resultaat en niet het resultaat dat de vennootschap met andere vermogensbestanddelen of op andere wijze had kunnen behalen. Het enkele feit dat een vennootschap een winstmogelijkheid onbenut heeft gelaten om een ander te bevoordelen is in het algemeen geen aanleiding om een voordeel dat de vennootschap niet heeft genoten toch in de belastingheffing te betrekken. Dat is anders als de vennootschap met haar aandeelhouder overeenkomsten aangaat, waarbij de vennootschap voor haar prestaties een lagere vergoeding bedingt dan zij van een niet-aandeelhouder zou hebben bedongen met de bedoeling de aandeelhouder te bevoordelen. In een dergelijk geval wordt het voordeel dat de vennootschap aan haar aandeelhouder doet toekomen tot de winst van de vennootschap gerekend.