16 april 2010 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJN BG5296, 07/10129
Voor het aan de bodem onttrekken van grondwater moet grondwaterbelasting worden betaald. De grondwaterbelasting wordt berekend over de opgepompte hoeveelheid water verminderd met de infiltratieaftrek voor de teruggevoerde hoeveelheid.
Een forellenkwekerij had van de provincie een vergunning gekregen voor het onttrekken van maximaal 110.000 m³ grondwater per jaar en voor het infiltreren van 110.000 m³ water per jaar. De kwekerij onttrok grondwater voor gebruik in de kweekbakken waarin forellen werden gekweekt. Het grondwater werd vanuit de kweekbakken naar bassins geleid. Vanuit de bassins zakte het water terug de bodem in. Bij dat proces ging vrijwel geen grondwater verloren. Aan de forellenkwekerij werd een naheffingsaanslag grondwaterbelasting opgelegd waarbij geen rekening werd gehouden met de infiltratieaftrek. Naar het oordeel van Hof Arnhem was dat terecht omdat niet voldaan was aan het vereiste van een menselijke, kunstmatige activiteit die het infiltreren mogelijk maakt. Dat is volgens de Hoge Raad niet juist. Anders dan bij oeverinfiltratie waarbij onttrokken grondwater langs natuurlijke weg wordt gecompenseerd, maar net als bij retourbemaling, is bepalend of de activiteiten uitsluitend zijn gericht op het onttrekken van grondwater. In dit geval was voldaan aan het vereiste van een kunstmatige ingreep door het grondwater via de kweekbakken naar de door de kwekerij aangelegde bassins te voeren, waar het in de bodem zakte.
De Hoge Raad heeft de uitspraak van Hof Arnhem vernietigd en de zaak verwezen naar Hof Den Bosch voor verdere behandeling.