31 mei 2012 | Hoge Raad | jurisprudentie |
Wanneer een aanslag inkomstenbelasting te laag is vastgesteld kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Voorwaarde om te kunnen navorderen is dat de inspecteur beschikt over een nieuw feit. Dat is een feit wat ten tijde van het vaststellen van de aanslag de inspecteur niet bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn
Iemand diende een door de Belastingdienst deels vooraf ingevuld aangiftebiljet IB/PVV 2006 in. Op deze aangifte ontbrak een deel van de looninkomsten. De belanghebbende stuurde het aangiftebiljet zonder wijziging of aanvulling terug. De inspecteur legde vervolgens een aanslag op conform de ingediende aangifte. Enige tijd later diende de belanghebbende een tweede aangifte IB 2006 in, waarin het juiste bedrag aan inkomen uit werk en woning was opgenomen. De inspecteur legde naar aanleiding van deze aangifte een navorderingsaanslag op. De vraag was of de inspecteur beschikte over het voor navordering vereiste nieuwe feit.
De belastingplichtige voerde aan dat zijn werkgever de loongegevens had verstrekt aan de Belastingdienst. De inspecteur bestreed dat hij bij het opleggen van de primitieve aanslag beschikte over de juiste loongegevens. Naar het oordeel van Hof Leeuwarden moest de inspecteur bewijzen dat hij ten tijde van het opleggen van de aanslag niet kon beschikken over de aan een andere eenheid van de Belastingdienst verstrekte loongegevens. Volgens het hof slaagde de inspecteur niet in die bewijslast. Dat had tot gevolg dat het hof de navorderingsaanslag vernietigde.