Kamervragen over arrest BTW-ondernemerschap DGA

14 mei 2007 | Ministerie van Financiën | persbericht | PERS-2002-187

Onlangs heeft de Hoge Raad in een arrest vastgesteld, dat een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die arbeid verricht voor een BV waarin hij een meerderheidsbelang heeft, door het ontbreken van ondergeschiktheid als ondernemer voor de omzetbelasting moet worden aangemerkt. Dat houdt overigens niet in, dat hij voor de inkomstenbelasting ook ondernemer is. De omzetbelasting en de inkomstenbelasting hanteren verschillende criteria voor het ondernemerschap. Gevolg van het ondernemerschap voor de BTW is, dat BTW over de in rekening gebrachte bedragen (salaris) moet worden berekend en dat aan de DGA in rekening gebrachte BTW als voorbelasting kan worden verrekend. De staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit de gevolgen voor de omzetbelasting uiteengezet. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie, waarin een fiscale eenheid voor de omzetbelasting kan bestaan en de situatie, waarin dat niet kan. In het eerste geval kan op een voor 1 januari 2003 in te dienen verzoek de fiscale eenheid ingaan op 26 april 2002, de datum van het arrest van de Hoge Raad. Gevolg van de fiscale eenheid is hoofdelijke aansprakelijkheid voor de omzetbelastingschulden. Voorts kan de kleine ondernemersregeling niet worden toegepast, aangezien deze alleen geldt voor natuurlijke personen.Voor de situatie, waarin een fiscale eenheid niet mogelijk is, keurt de staatssecretaris goed, dat er wordt gehandeld alsof er een fiscale eenheid bestaat. Het recht op aftrek van voorbelasting op goederen en diensten die de DGA gebruikt komt dan te vervallen. Wanneer een vrijstelling van toepassing is op de werkzaamheden van de DGA geldt de goedkeuring niet. DGA’s, die geen gebruik (kunnen) maken van de goedkeuring worden met ingang van 26 april 2002 als ondernemer geadministreerd door de belastingdienst. Dat betekent, dat over de periode vanaf die datum alsnog een aangifte omzetbelasting moet worden gedaan.