Kennelijk onbehoorlijk bestuur

9 april 2010 | Hof Den Bosch | jurisprudentie | LJN BL8885, 07/00091

De ontvanger stelde de directeur van een aantal BV’s aansprakelijk voor niet betaalde belastingbedragen. De directeur deed in september 2002 namens een van deze BV’s een melding van betalingsonmacht aan de ontvanger. Vanaf die datum deed de BV nog wel aangiften voor de loonheffing en de omzetbelasting, maar werd geen belasting betaald aan de belastingdienst. Volgens Hof Den Bosch had de directeur de melding van betalingsonmacht opgevat als een vrijbrief om geen belasting meer te betalen.

Begin 2003 had de BV een groot bedrag te vorderen van een andere BV, waarvan de directeur eveneens bestuurder was. De directeur deed echter niets om de vordering te innen.

Het hof stelde vast dat de directeur daardoor de BV in de positie had gebracht waarin zij de aangegeven loonheffing en omzetbelasting niet kon betalen. Het niet betalen van belasting was een gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de directeur. Het hof vond dat de directeur terecht hoofdelijk aansprakelijk was gesteld voor door de belastingdienst opgelegde naheffingsaanslagen.

Voor de aansprakelijkheid met betrekking tot de invorderingsrente en de kosten van invordering lag dit anders. Daarvoor is vereist dat het belopen daarvan aan de aansprakelijk gestelde persoon is te wijten. De ontvanger moet dat bewijzen. In dit geval slaagde de ontvanger daar niet in.

Voor de aansprakelijkheid met betrekking tot de opgelegde boeten stond niet vast dat de ontvanger de voorschriften van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen had nageleefd. Ook op dat onderdeel was de directeur ten onrechte aansprakelijk gesteld.