Kennelijk onredelijk ontslag

10 september 2010 | Hof Arnhem | jurisprudentie | LJNBN5478, 200.028.043

Er is sprake van een kennelijk onredelijk ontslag als de gevolgen van de opzegging, gelet op de voor de werknemer getroffen voorzieningen en zijn mogelijkheden om ander passend werk te vinden, te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Bij de beoordeling of een ontslag kennelijk onredelijk is moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken.

 

De kantonrechter oordeelde in een procedure dat sprake was van kennelijk onredelijk ontslag en kende de werknemer een vergoeding toe van € 25.000. De werkgever ging tegen het vonnis van de kantonrechter in hoger beroep. Hof Arnhem deelde het oordeel van de kantonrechter niet. De werkgever had alle werknemers die bij een reorganisatie overbodig waren geworden begeleiding naar een andere baan aangeboden. Een werknemer weigerde deze begeleiding, volgens de werkgever omdat hij uit was op een ontslagvergoeding.

Het hof stelde vast dat de functie van de werknemer als gevolg van de reorganisatie was vervallen en dat de werkgever bij de vraag welke werknemers voor ontslag in aanmerking dienden te komen het afspiegelingsbeginsel had toegepast. Op grond daarvan was de werknemer in kwestie terecht ontslagen. De werknemer toonde niet aan dat de noodzaak tot reorganisatie ontbrak. Verder vond het hof van belang dat de werknemer ruim twee maanden de tijd had gehad om doorbetaald te kunnen solliciteren omdat de werkgever hem had vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. Het hof rekende de werknemer zwaar aan dat hij niet had gesolliciteerd op een door het outplacementbureau aangegeven vacature.

De opzegging van de arbeidsovereenkomst zonder financiële compensatie was niet kennelijk onredelijk. Hof Arnhem vernietigde het vonnis van de kantonrechter.