Loon was vorderbaar en inbaar

16 april 2010 | Rechtbank | jurisprudentie | LJn BL9691, 09/1479

Loon wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop het vorderbaar en inbaar is geworden. Vorderbaar wil zeggen dat de werknemer recht op betaling heeft. Inbaar wil zeggen dat de werkgever in staat is het loon te betalen. In het geval het loon feitelijk betaald wordt is er geen discussie over het genietingstijdstip. Wanneer het loon niet feitelijk betaald is, ligt dat anders.

In een procedure voor de rechtbank Haarlem was de inbaarheid van het loon onderwerp van geschil. De belastingdienst meende dat het loon van 2006 in dat jaar inbaar was. De werknemer ontkende dat. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de vordering niet inbaar was voerde de werknemer aan dat hij de werkgever in 2007 meerdere keren had gevraagd om het achterstallige salaris uit te betalen. De werknemer spande in 2008 zelfs een procedure aan bij de rechtbank om te proberen zijn vordering te innen. De rechtbank vond dat de werknemer hiermee niet aannemelijk maakte dat zijn vordering in 2006 niet inbaar was. Omdat de werkgever ook ten tijde van de procedure niet in staat van faillissement verkeerde ging de rechtbank ervan uit dat de loonvordering in 2006 inbaar was. De werknemer had het loon daarom in 2006 genoten.

De werknemer deed vervolgens een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zijn dochter had voor dezelfde werkgever gewerkt en had ook een gedeelte van haar salaris niet ontvangen. De belastingdienst merkte haar loonvordering aan als niet vorderbaar en niet inbaar. Het niet ontvangen loon was bij haar niet tot het inkomen uit werk en woning gerekend.

De rechtbank was van oordeel dat de posities van de werknemer en zijn dochter gelijk waren. Beiden hadden gelijke mogelijkheden hun loonvorderingen te innen. De belastingdienst had de dochter begunstigend behandeld zonder rechtvaardigingsgrond voor de ongelijke behandeling. De rechtbank honoreerde het beroep op het gelijkheidsbeginsel en verminderde het inkomen uit werk en woning.