Navordering buitenlandse inkomsten

26 mei 2011 | Hof Arnhem | jurisprudentie | LJNBQ4220, 10/00459

De reguliere termijn waarbinnen een navorderingsaanslag moet worden opgelegd is 5 jaar. Er geldt een verlengde navorderingstermijn van 12 jaar voor buitenlandse inkomsten en vermogensbestanddelen. De verlengde termijn is bedoeld voor situaties waarin de controlemogelijkheden van de Nederlandse belastingdienst beperkt zijn en de normale navorderingstermijn van vijf jaar te kort is.

 

Hof Den Haag oordeelde in een procedure dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing was omdat geen sprake was van een in het buitenland opgekomen inkomensbestanddeel. Het ging om buitenlandse handelstransacties van een Nederlandse vennootschap die contant waren betaald. De directeur van de betrokken vennootschap had de contante opbrengst gestort op een bankrekening van de vennootschap. De vennootschap verantwoorde het bedrag in haar aangifte vennootschapsbelasting als onbelast deelnemingsdividend.

Volgens de Hoge Raad is de opvatting van het hof, dat van een in het buitenland opgekomen inkomensbestanddeel geen sprake is wanneer in het buitenland verworven inkomensbestanddelen daar in contanten worden uitbetaald, niet juist.

De omstandigheid dat de oorsprong van een vordering in het buitenland ligt en deze oorsprong door de uitbetaling in contanten aan het zicht van de Nederlandse belastingdienst is onttrokken, is voldoende om de verlengde navorderingstermijn in principe van toepassing te laten zijn. Dit wordt niet anders als de ontvangen contanten later op een in Nederland aangehouden bankrekening worden gestort. Anders dan bij een rechtstreekse betaling op een Nederlandse bankrekening door een buitenlandse debiteur blijft gelden dat de oorsprong van het betreffende bedrag aan het zicht van de Nederlandse belastingdienst was onttrokken.

 

Na verwijzing oordeelde Hof Arnhem dat de beperking in de toepassing van de verlengde navorderingstermijn, zoals uiteengezet in een arrest van de Hoge Raad uit 2010 in dit geval niet aan de orde was, omdat deze ziet op de vrijheid van kapitaalverkeer zoals neergelegd in het EG-verdrag. Dat verdrag was niet van toepassing op het kapitaalverkeer met derde landen. Vervolgens stelde het hof vast dat de inspecteur beschikte over een nieuw feit. Pas na het opleggen van de primitieve aanslag was een boekenonderzoek ingesteld waaruit bleek dat geen sprake was van een deelnemingsdividend. De aangifte vennootschapsbelasting 1992 maakte een verzorgde indruk zodat de inspecteur aan de juistheid daarvan niet hoefde te twijfelen. Van een ambtelijk verzuim door het niet instellen van een onderzoek na een eerste beoordeling van de aangifte was geen sprake, aldus het hof. De opgelegde navorderingsaanslag bleef in stand.