26 maart 2010 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJN BL7165, 08/04868
Om een navorderingsaanslag op te kunnen leggen moet de inspecteur een nieuw feit hebben. Dat is een feit wat hem bij het opleggen van de definitieve aanslag nog niet bekend was en ook niet bekend had hoeven zijn. Bij het vaststellen van een aanslag mag de inspecteur uitgaan van de juistheid in de aangifte zonder dat hij een nader onderzoek moet instellen. De verplichting tot nader onderzoek is er wel als de inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid daarvan in redelijkheid behoort te twijfelen.
In een procedure naar aanleiding van een navorderingsaanslag die was opgelegd omdat de belastingplichtige in 2002 ten onrechte de premie voor meerdere lijfrenteverzekeringen in aftrek had gebracht, was Hof Den Bosch van oordeel dat de inspecteur een ambtelijk verzuim had begaan. Navordering was daardoor volgens het hof niet mogelijk. Als de inspecteur zorgvuldig naar de aangifte zou hebben gekeken, zou hij gemerkt hebben dat slechts voor een van beide verzekeringen een verklaring van de verzekeraar dat de premie aftrekbaar was in het dossier aanwezig was. Voor de andere verzekering ontbrak een dergelijke verklaring. Volgens de Hoge Raad was het ontbreken van die verklaring geen reden om aan de juistheid van de aangifte te twijfelen. De verklaring had om een andere reden dan het niet aftrekbaar zijn van de premie kunnen ontbreken. De inspecteur had aangevoerd dat de verzekeraars nog lang niet klaar waren met het doorgeven aan de belastingdienst van aftrekbare lijfrentepremies. De belanghebbende had die stelling van de inspecteur niet bestreden. Het hof had geen reden vastgesteld waarom de inspecteur aan de juistheid van de aangifte had moeten twijfelen. Hof Arnhem moet zich nu verder over de zaak buigen.