Ongebruikelijke terbeschikkingstelling

21 oktober 2010 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJN BL3577, 09/02120

De terbeschikkingstellingsregeling is van toepassing als de houder van een aanmerkelijk belang een vermogensbestanddeel ter beschikking stelt aan de BV waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Als de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing is, vallen de opbrengsten in box 1 en niet in box 3. De terbeschikkingstellingsregeling is ook van toepassing binnen de familiekring wanneer sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling.

 

Naar het oordeel van Hof Amsterdam was daarvan sprake in de situatie waarin broer en zus samen een kantoorpand kochten van hun vader. De koopsom was zakelijk. De kinderen leenden de koopsom van vader en verleenden hem het recht van hypotheek op het pand. Ook de hypothecaire lening werd verstrekt op zakelijke voorwaarden. Vader droeg de hypothecaire vordering voor de nominale waarde over aan zijn BV. De kinderen verhuurden het pand aan de BV van vader voor een zakelijke prijs. Met de ontvangen huur werden rente en aflossing van de hypotheek betaald.

Hof Amsterdam baseerde de maatschappelijke ongebruikelijkheid op het geheel van (rechts)handelingen. De BV huurde een volledig door haar gefinancierd pand zonder enige andere zekerheid voor de financiering dan het recht van hypotheek. Het resultaat van de handelingen was dat de kinderen na 20 jaar de onbezwaarde eigendom verkrijgen van het pand zonder enige materiƫle tegenprestatie.

De Hoge Raad is van oordeel dat niet alleen de terbeschikkingstellingshandeling zelf moet worden beoordeeld op haar gebruikelijkheid in het maatschappelijke verkeer, maar dat bij de beoordeling van de gebruikelijkheid het geheel van rechtshandelingen dat met de terbeschikkingstelling verband houdt in aanmerking moet worden genomen.

Dat betekent dat sprake is van een maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling indien het met een geheel van handelingen bereikte resultaat zodanig is dat een dergelijk samenstel van handelingen zich tussen onafhankelijke derden niet zou voordoen. Of dan onderdelen van dat geheel van handelingen op zichzelf beschouwd wel zakelijk of gebruikelijk zijn is voor de uitkomst niet relevant.