10 maart 2011 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJNBP6285, 10/04026
De Centrale Raad van Beroep is in principe de hoogste nationale rechterlijke instantie op het gebied van sociale verzekeringen. Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is slechts in beperkte mate beroep in cassatie mogelijk bij de Hoge Raad. De mogelijkheid van cassatie staat in zaken die de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) betreffen onder andere open wanneer het gaat om de regels over de woonplaats en de verzekeringsplicht.
De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat iemand met de Vietnamese nationaliteit die sinds 2000 in Nederland verbleef en in 2007 met terugwerkende kracht tot 1 april 2001 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd had gekregen geen recht had op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2006 omdat het middelpunt van haar maatschappelijk leven niet in Nederland was gelegen. Dat hield in dat zij volgens de Centrale Raad van Beroep niet in Nederland woonde.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad volstaat voor een woonplaats in Nederland echter het bestaan van een duurzame persoonlijke band met Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met een ander land. Dat houdt in dat het niet nodig is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt.
De door de Centrale Raad van Beroep gehanteerde beoordeling van iemands woonplaats is daarmee niet juist. De Hoge Raad heeft de Centrale Raad van Beroep opgedragen om de zaak opnieuw in behandeling te nemen.