3 februari 2009 | Hof Den Bosch | jurisprudentie | LJNBH2169, HD 103.005.752
Het hoofd van de administratie werd door zijn werkgever op staande voet ontslagen wegens het vervalsen van de handtekening van zijn werkgever. De kantonrechter was van oordeel dat het ontslag op staande voet terecht was gegeven. In hoger beroep bevestigde Hof Den Bosch dat oordeel. Anders dan de ontslagen werknemer meende was er geen sprake van een kennelijk onredelijk ontslag en had de werknemer geen recht op enige vergoeding door de werkgever. Het Hof vond niet van belang of aan de omschrijving van valsheid in geschrifte in het Wetboek van Strafrecht was voldaan. Als reden voor ontslag was niet valsheid in geschrifte gegeven, maar het namaken van de handtekening van de werkgever. Hoewel het ontslag op staande voet bijzonder ernstige financiële gevolgen had voor de werknemer vond het Hof dat bij een dermate ernstige inbreuk op het vertrouwen dat de werkgever in leidinggevende moet kunnen stellen, het belang van de werkgever bij directe beëindiging van de arbeidsovereenkomst zwaarder weegt dan de nadelen van de werknemer. Goed functioneren in het verleden en de duur van het dienstverband veranderen daar niets aan. Omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was gegeven had de werkgever recht op schadevergoeding. De hoogte daarvan wordt in de wet gefixeerd op het salaris gedurende de door de werknemer in acht te nemen opzegtermijn.