Onzakelijke lening

29 oktober 2010 | Hof Arnhem | jurisprudentie | LJN BO1270, 10/00175

De vordering die de houder van een aanmerkelijk belang heeft op zijn vennootschap valt onder de terbeschikkingstellingsregeling. Het resultaat van de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen wordt bepaald volgens het winstregime. De afboeking van een tot het ondernemingsvermogen behorende onzakelijke vordering kan niet ten laste van de winst worden gebracht. Ook bij een terbeschikkingstelling moet de invloed van een onzakelijk handelen van de belastingplichtige op het resultaat worden geëlimineerd. Heeft de belastingplichtige om aandeelhoudersmotieven een debiteurenrisico aanvaard dat een buitenstaander niet zou willen lopen, dan is sprake van een onzakelijke vordering en kan een eventueel verlies op die vordering niet ten laste van het inkomen worden gebracht.

 

Een aanmerkelijk belanghouder verstrekte een lening van € 165.000 aan zijn BV. De BV verstrekte geen zekerheden en was niet tot aflossing verplicht. Het eigen vermogen van de BV bedroeg op dat moment € 18.000. De BV leende dit bedrag en een geldlening van de andere aandeelhouder door aan haar dochtermaatschappij. De bank verstrekte een financiering van € 380.000 aan de dochtermaatschappij. Als zekerheid kreeg de bank een pandrecht op roerende zaken en vorderingen op derden. Door het faillissement van de grootste klant ging de dochtermaatschappij failliet. De aandeelhouders wilden een doorstart maken met de bedrijfsactiviteiten van deze klant. In verband daarmee schold de aandeelhouder zijn vordering op de BV kwijt zodat de bestaande verliezen verrekend konden worden. Vervolgens verstrekte de aandeelhouder een nieuwe lening aan de BV. De aandeelhouder waardeerde de oorspronkelijke lening in zijn aangifte inkomstenbelasting af ten laste van het resultaat uit een werkzaamheid.

Het hof vond de lening onzakelijk en stond afwaardering ten laste van het inkomen niet toe. Volgens het hof zou een onafhankelijke derde het debiteurenrisico dat de aandeelhouder op zich had genomen niet hebben genomen. Aandeelhoudersmotieven waren volgens het hof doorslaggevend.