17 april 2009 | Overig | jurisprudentie | LJNBH9972, AWB 08/261
Een BV verstrekte aan haar moedermaatschappij een geldlening. Vanwege de slechte financiële positie van de moedermaatschappij wilde de BV de geldlening afwaarderen. De inspecteur weigerde de afwaardering omdat de lening onder onzakelijke voorwaarden was verstrekt. De rechtbank deelde de opvatting van de inspecteur. De moedermaatschappij had zelf geen liquide middelen of andere activa waarmee de lening zou kunnen worden afgelost. Dat hield in dat aflossing zou moeten komen uit dividend van de BV en haar zustermaatschappij.
Het van de BV geleende geld had de moedermaatschappij voor een deel doorgeleend aan de DGA, die daarmee de aankoop van een woning had gefinancierd. Op de woning rustte een recht van eerste hypotheek ten behoeve van een bank, zodat de moedermaatschappij daaraan geen zekerheid kon ontlenen. Volgens de rechtbank liep de BV een debiteurenrisico dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard. Bij ontbreken van bijzondere omstandigheden ging de rechtbank ervan uit dat de BV dit had gedaan om de belangen van haar aandeelhouder te dienen.