14 mei 2007 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJN-nummer: AE5216 Zaaknr: 36335
Tot 1 januari 1992 waren lijfrentepremies aftrekbaar tot een zeker maximum. Dit maximum gold voor ongehuwden per persoon en voor gehuwden per echtpaar. Het aangaan van een huwelijk kon dus als gevolg hebben, dat een deel van de lijfrentepremie, die voor het huwelijk aftrekbaar was, daarna niet meer aftrekbaar was. Met ingang van 1992 is de wetgeving rond lijfrentes ingrijpend veranderd. Voor bestaande lijfrenteovereenkomsten kwam er een overgangsregeling, waardoor de premies toch aftrekbaar bleven. De overgangsregeling ging echter niet zover, dat het hiervoor beschreven nadeel van een huwelijk erdoor werd weggenomen. Volgens de Hoge Raad hoefde dat ook niet, want de overgangsregeling was bedoeld om voor bestaande contracten de oude wetgeving toe te blijven passen. Het wegnemen van nadelen van die oude wetgeving hoorde daar niet bij. Aan de ongelijke behandeling van echtparen ten opzichte van samenwonenden was door de wetswijziging per 1 januari 1992 een einde gemaakt.