23 juli 2008 | Overig | jurisprudentie | LJNBD8934, 07/3773
Loon is de verzamelnaam voor alle voordelen die een werknemer ontvangt uit zijn dienstbetrekking. Tot het loon behoren aanspraken om na het verstrijken van een bepaalde periode uitkeringen te ontvangen. Om belastingheffing te voorkomen over een loonbestanddeel dat nog niet tot een uitkering in geld leidt is in een aantal gevallen niet de aanspraak zelf belast, maar zijn de uitkeringen in de toekomst belast. Voorbeelden daarvan zijn pensioen en bepaalde rechten op periodieke uitkeringen, de zogenaamde stamrechten. Voorwaarde voor de toepassing van de stamrechtvrijstelling is dat de periodieke uitkeringen worden toegekend ter vervanging van gederfd of te derven loon. De uitkeringen moeten uiterlijk ingaan in het jaar waarin de werknemer 65 wordt. Iemand die de toepassing van de stamrechtvrijstelling claimde op een betaling voor een recht op periodieke uitkeringen door zijn werkgever stelde dat het ging om een ontslagpremie. In dat geval zou sprake zijn van vervanging van te derven loon. De werknemer was als ambtenaar in dienst van een gemeente en gedetacheerd bij een NV waarvan de gemeente de enige aandeelhouder was. In het kader van een privatisering eindigde op zeker moment de dienstbetrekking bij de gemeente en trad de werknemer volledig in dienst bij de NV voor bepaalde tijd. De overeengekomen betaling vond echter niet plaats bij het uit dienst gaan bij de gemeente en evenmin aan het einde van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij de NV, maar op een daartussen gelegen tijdstip. De rechtbank volgde het standpunt van de belastingdienst en oordeelde dat het om een nabetaling van achterstallig loon ging. Dan is geen sprake van vervanging van gederfde inkomsten, maar van de betaling van de aanvankelijk gederfde inkomsten. De betaling was namelijk berekend als de som van het verschil tussen een normale beloning voor de uitgeoefende functie en het betaalde salaris over de jaren waarin de detachering had bestaan. Van belang was dat er geen sprake was van een betaling van één bedrag, maar van een bedrag dat was samengesteld uit een salariscomponent, een pensioencomponent en een rentecomponent. De rentecomponent had betrekking op de periode tussen het moment van uitdiensttreding bij de gemeente en het moment van uitbetaling.