4 september 2009 | Hof Amsterdam | jurisprudentie | LJN BJ5893, 07/00822, 07/00823, 07/00824
De heffingsmaatstaf voor de onroerende zaakbelastingen is de waarde van de onroerende zaak zoals deze op grond van de Wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ) is vastgesteld voor het betreffende tijdvak. Als bij de vaststelling van de WOZ-waarde van cultuurgrond geen rekening is gehouden met de daarvoor geldende vrijstelling, dient dat bij de heffing van de onroerende zaakbelasting alsnog te gebeuren door vermindering van de heffingsmaatstaf.
Voor de toepassing van de cultuurgrondvrijstelling is vereist dat de grond als functie heeft gewassen te voeden en te doen groeien en moet de grond bedrijfsmatig worden geƫxploiteerd.
Een sinds 1993 braakliggend perceel viel tot 2003 onder de vrijstelling, hoewel de voorheen bestaande functie van het perceel op 1 januari 2003 nog ongewijzigd aanwezig was. Het perceel was verkocht aan de gemeente, die het na 1 januari 2003 omzette in bouwterrein.
Hof Amsterdam was van oordeel dat op 1 januari 2003 bedrijfsmatige exploitatie nog steeds werd beoogd. Dat het perceel op die datum al geruime tijd braak lag deed daaraan niet af.