9 juni 2011 | Rechtbank | jurisprudentie | LJNBQ4453, AWB 10/1459
Het loonbegrip is zeer ruim en omvat alle voordelen die uit een dienstbetrekking of uit een vroegere dienstbetrekking worden genoten. Ook aanspraken om na verloop van tijd of onder voorwaarde een of meer uitkeringen te ontvangen behoren tot het loon.
Er geldt een vrijstelling voor uitkeringen die werknemers krijgen uit een fonds waaraan de werkgever en de werknemer hebben bijgedragen, met dien verstande dat de werkgever over de afgelopen vijf kalenderjaren niet meer mag hebben bijgedragen dan de betrokken werknemers. Deze vrijstelling staat bekend als de fondsenvrijstelling. Als de uitkeringen worden gedaan uit hoofde van een aanspraak die niet tot het loon behoort, vormen de uitkeringen wel loon.
De belastingdienst meende dat uitkeringen uit een door een werkgever ingesteld voorzieningenfonds aan vroegere werknemers loon vormden. De rechtbank vond dat er voldoende causaliteit bestond tussen de uitkeringen en dienstbetrekkingen om de uitkeringen in beginsel tot het fiscale loon te rekenen. De belastingdienst meende dat de fondsenvrijstelling niet van toepassing was omdat er niet jaarlijks door de werknemers werd bijgedragen. Volgens de rechtbank volstaat een eenmalige bijdrage van werknemers tijdens de periode van vijf jaren die voorafgaat aan het lopende jaar voor de toepassing van de fondsenvrijstelling, mits deze bijdrage tenminste gelijk aan of groter dan de bijdrage van de werkgever is. In dit geval stond vast dat in 2008 een groot aantal werknemers een bijdrage aan het voorzieningenfonds had gedaan, terwijl de werkgever sinds 1997 niets had bijgedragen. Op grond daarvan was de fondsenvrijstelling op de uitkeringen uit het fonds van toepassing.