27 maart 2009 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJN BB5878, 44072
Met toepassing van de zogenoemde foutenleer kan worden voorkomen dat een deel van de bedrijfswinst onbelast blijft of dubbel wordt belast als gevolg van een onjuiste vaststelling van het eindvermogen van het voorafgaande jaar. De fout wordt hersteld in het oudste jaar waarvan de aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat.
Hof Den Bosch paste de foutenleer toe in een geval waarin een BV had verzuimd om een in 1991 verkregen recht op vrijwaring te activeren. Dat recht had een waarde van € 797.444. Op grond van dit recht ontving de BV in 1998 een bedrag van € 235.669 en betaalde daar belasting over. Volgens het Hof mocht de BV dit bedrag ten laste van de winst van het oudste openstaande jaar brengen. Dat was het jaar 2001. Het Hof corrigeerde ook de fiscale openingsbalans per 1 januari 2001 door het recht op vrijwaring voor de volle waarde van € 797.444 te activeren. De daarmee samenhangende vermogensvooruitgang werd als kapitaalstorting geëlimineerd uit de belastbare winst 2001.
Volgens de Hoge Raad paste het Hof de foutenleer niet goed toe. De in het verleden gemaakte fout was dat een vordering ad € 235.669 niet als informele kapitaalstorting was verwerkt. Omdat deze vordering in eerdere jaren was afgelost, vormde deze geen onderdeel meer van het ondernemingsvermogen. Dat betekent dat deze fout niet leidde tot een onjuiste vaststelling van het eindvermogen van het voorafgaande jaar. De in 1998 gemaakte fout kon volgens de Hoge Raad niet met de foutenleer in 2001 worden gecorrigeerd.