16 augustus 2007 | Overig | jurisprudentie | LJNBB1872, AWB 06/5641
De Wet Belastingen van Rechtsverkeer (WBR) bevat onder meer de overdrachtsbelasting. Deze wordt geheven bij de verkrijging van een onroerende zaak. Voor een aantal verkrijgingen geldt een vrijstelling. Een daarvan is de verkrijging in het belang van een verbetering van de landbouwstructuur. Deze vrijstelling was beperkt tot de verkrijging van landerijen met een oppervlakte niet groter dan de oppervlakte van de naburige landerijen die de verkrijger al ten minste vijf jaar in eigendom of erfpacht had. Een akkerbouwer had 11 hectare grond in eigendom en 31 hectare grond in erfpacht, gesplitst in twee percelen. De akkerbouwer kocht vervolgens de blote eigendom van beide erfpachtpercelen. Met een beroep op de landbouwvrijstelling in de akte van levering werd geen overdrachtsbelasting betaald. De belastingdienst legde naheffingsaanslagen op voor beide verkrijgingen, waarbij slechts rekening werd gehouden met de grond in eigendom voor de bepaling van de vrijstelling. De rechtbank stelde vast dat er twee afzonderlijke verkrijgingen van de blote eigendom van landerijen waren. Deze landerijen waren naburig. Op elk van de landerijen rustte een afzonderlijk recht van erfpacht. Daarom kon bij de berekening van beide percelen voor de berekening van de hoogte van de vrijstelling rekening gehouden worden met het andere perceel waarop een recht van erfpacht rustte. Per saldo was, omdat bij de verkrijging van het grootste perceel ook rekening werd gehouden met de grond in eigendom, geen overdrachtsbelasting verschuldigd.