15 juni 2007 | Overig | jurisprudentie | LJNBA7974, 05/1808
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet een ongelijke behandeling het gevolg zijn van: - een afwijking van gevoerd begunstigend beleid, - begunstiging van een bepaalde andere vergelijkbare belastingplichtige of - het in een meerderheid van vergelijkbare gevallen achterwege laten van een juiste wetstoepassing (de meerderheidsregel). De meerderheidsregel geldt niet als de ongelijke behandeling is terug te voeren op beleid, maar dient als bescherming tegen willekeurige ongelijke behandeling. Van een maatschap met acht maten verkeerden er zeven in dezelfde positie. Bij vijf van hen accepteerde de belastingdienst hun aandeel in het verlies van de maatschap als negatief resultaat uit overige werkzaamheden. Daaraan lag geen beleid ten grondslag. Met een beroep op de meerderheidsregel moest ook voor de zevende maat het verlies als negatief resultaat uit werkzaamheid worden aangemerkt. De belastingdienst beriep zich op een verandering van inzicht in het recht. Die verandering vloeide voort uit een besluit dat de staatssecretaris van Financiƫn had gepubliceerd voordat de aanslag van de zevende maat was geregeld, maar na het regelen van de aanslagen van de andere maten. De rechtbank wees dat standpunt af.