22 januari 2010 | Hof Den Haag | jurisprudentie | LJN BK8740, BK08/00254
De Wet op de Vennootschapsbelasting bevat een bepaling die de aftrek van rente verhindert bij een vennootschap met een overschot aan vreemd vermogen. Deze bepaling geldt alleen voor vennootschappen die met andere vennootschappen een groep vormen. Een groep is een economische eenheid waarin vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. In de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving is het groepsbegrip nader uitgewerkt. Zo is sprake van een groepsrelatie als een vennootschap een andere vennootschap feitelijk beheerst of feitelijk beleidsbepalend is in die andere vennootschap. De verhouding tussen het teveel aan vreemd vermogen en het gemiddeld vreemd vermogen bepaalt welk deel van de betaalde rente over het vreemde vermogen niet aftrekbaar is. Het is voor toepassing van de aftrekbeperking niet van belang aan wie de rente betaald wordt, met andere woorden dat hoeft niet aan een andere groepsmaatschappij te zijn. Wel moet sprake zijn van een verbonden lichaam. Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij een meerderheidsbelang.
Deze thincapregeling leidt volgens Hof Den Haag niet tot ongeoorloofde discriminatie. Op fiscaal gebied heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid om te bepalen of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en zo ja, of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch verschillend te regelen. Het hof kwam tot zijn oordeel in een procedure over de aftrek van rente die een BV aan haar in Nederland gevestigde moedermaatschappij betaalde. De BV meende dat zij niet in dezelfde positie verkeert als een belastingplichtige die schulden heeft aan een verbonden lichaam binnen een concern dat de mogelijkheid heeft om de belastinggrondslag uit te hollen. Volgens het hof kan ook in de verhouding tussen de BV en haar moedermaatschappij de keuze voor financiering met eigen of vreemd vermogen fiscaal geïndiceerd zijn.