Toepassing thincapregeling

29 augustus 2008 | Overig | jurisprudentie | LJNBF0788, AWB 07/5543

De rente die door een onderneming wordt betaald over haar schulden is in principe aftrekbaar van de winst. Voor ondernemingen die onder de vennootschapsbelasting vallen zijn er echter enkele beperkingen van de aftrek van rente. Een van deze beperkingen is van toepassing op vennootschappen die met een teveel aan vreemd vermogen zijn gefinancierd. De verhouding tussen eigen en vreemd vermogen is bij deze vennootschappen verstoord. De beperking geldt alleen als de vennootschap onderdeel is van een groep. De aftrekbeperking is bekend onder de naam thincapregeling. Een voorbeeld daarvan is een vennootschap waarvan het eigen vermogen op 1 januari 2004 € 19.000 en op 31 december 2004 € 22.000 bedroeg. Het vreemd vermogen bedroeg zowel op 1 januari als op 31 december 2004 ruim € 3,2 miljoen. Alle aandelen van de vennootschap waren in handen van een vereniging. Deze vereniging was de grootste financier van de vennootschap. De vennootschap betaalde in 2004 per saldo een bedrag van € 108.465 aan rente aan de vereniging. De belastingdienst weigerde de aftrek van deze rente op grond van de thincapregeling. Argumenten voor toepassing van de aftrekbeperking waren een teveel aan vreemd vermogen en de verbondenheid met de vereniging als onderdeel van een groep. In de procedure die volgde spitste de discussie zich toe op de vragen of de vereniging wel een lichaam was voor toepassing van de vennootschapsbelasting en of er sprake was van een groep. Voor de kwalificatie als lichaam is belastingplicht voor de vennootschapsbelasting niet bepalend. Voldoende is dat er belastingplicht zou kunnen zijn. Aan die voorwaarde voldeed de vereniging en daarmee kwalificeerde zij als lichaam. Het Burgerlijk Wetboek geeft een definitie van het begrip groep. Dat is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Aan alle essentiële elementen van het groepsbegrip was in dit geval voldaan aangezien de vereniging alle aandelen had, de vennootschap economisch een verlengstuk was van de vereniging en de vereniging beleidsbepalend was. Zowel de vereniging als de vennootschap richtte zich statutair en feitelijk op hetzelfde doel, namelijk de uitoefening van de golfsport. De rechtbank was daarom van oordeel dat de aftrekbeperking terecht was toegepast.