31 augustus 2011 | Rechtbank | jurisprudentie | LJNBR4972, AWB 09/7078 IB/PVV, AWB 10/234 IB/PVV, AWB 10/236 IB/PVV, AWB 10/237 IB/PVV en AWB 10/241 IB/PVV
Wanneer aanvankelijk een te lage belastingaanslag is opgelegd kan de Belastingdienst dit in beginsel corrigeren door het opleggen van een of meer navorderingsaanslagen. Daarvoor geldt een termijn van vijf jaar. Voor uit het buitenland afkomstige inkomsten
of in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen geldt een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. Deze verlengde termijn moet volgens rechtspraak van het Hof van Justitie EU terughoudend worden toegepast.
De Belastingdienst mag bij het gebruik van de verlengde navorderingstermijn, nadat bekend is geworden dat iemand vermoedelijk buitenlandse inkomsten heeft genoten of buitenlandse vermogensbestanddelen heeft, niet meer tijd gebruiken dan nodig is voor het verkrijgen
van de inlichtingen om de verschuldigde belasting te bepalen en het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van deze gegevens. Wanneer te lang wordt gewacht, heeft dat tot gevolg dat de rechter de navorderingsaanslag
zal vernietigen. Daarbij is niet van belang of de Belastingdienst de aanwijzingen voor buitenlandse inkomsten heeft verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar.
De rechtbank vond een periode van twee jaar tussen het moment waarop de Belastingdienst van de Belgische belastingautoriteiten gegevens ontving over buitenlandse bankrekeningen en het moment waarop een van de mogelijke rekeninghouders voor het eerst door
de Belastingdienst werd aangeschreven niet onredelijk lang. In die periode vond de identificatie van mogelijke belastingplichtigen plaats en is een berekeningswijze voor de tegoeden op andere momenten bepaald.
De rechtbank vernietigde de opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2001. Deze werd één jaar later opgelegd dan de navorderingsaanslag over het jaar 2002. Deze laatste was vlak voor het verstrijken van de reguliere navorderingstermijn
ter behoud van rechten opgelegd. De rechtbank vond het niet onredelijk dat de Belastingdienst er in dit geval voor had gekozen om de uitkomst van de bezwaarprocedure tegen de navorderingsaanslag 2002 af te wachten, alvorens de navorderingsaanslag over 2001
op te leggen. In het bezwaar ontkende de belanghebbende rekeninghouder te zijn geweest. De Belastingdienst deed na het indienen van het bezwaarschrift acht maanden niets en legde toen pas de navorderingsaanslag 2001 op. Die termijn was langer dan op grond
van de rechtspraak van het Hof van Justitie EU als redelijk kan worden aanvaard.