Toepassing verlengde navorderingstermijn

3 augustus 2011 | Rechtbank | jurisprudentie | LJNBR3382, 08/2788, 08/2789, 08/2790, 09/1953, 09/1954, 09/1955, 08/5247, 09/5504, 09/5505, 09/5688

Wanneer aanvankelijk te weinig belasting is geheven, heeft de belastingdienst de mogelijkheid om een navorderingsaanslag op te leggen. Een navorderingsaanslag moet binnen vijf jaar na afloop van het tjidvak waarop de aanslag betrekking heeft, zijn opgelegd. Voor buitenlandse inkomsten of vermogensbestanddelen geldt een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2010 het gebruik van de verlengde navorderingstermijn beperkt. De normale vijfjaarstermijn mag niet verder overschreden worden dan met het tijdsverloop dat nodig is om de inlichtingen voor het bepalen van de verschuldigde belasting te verzamelen en de aanslag voor te bereiden en vast te stellen.

 

Een belastingplichtige die werd geconfronteerd met een aantal navorderingsaanslagen beriep zich op deze beperking. De navorderingsaanslagen waren gebaseerd op informatie van de Duitse belastingdienst die op 20 mei 2005 was ontvangen. Na identificatie van de belastingplichtige werd de informatie doorgestuurd naar het betreffende kantoor van de belastingdienst op 29 september 2005. De inspecteur wachtte tot 16 mei 2006 voordat hij een vragenbrief stuurde naar de belastingplichtige. De rechtbank vond een periode van zeven maanden waarin niets was gedaan niet in overeenstemming met de door de Hoge Raad gestelde eis dat de inspecteur met redelijke voortvarendheid te werk moet gaan om navorderingsaanslagen vast te stellen. De rechtbank vernietigde alle navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente die aan de belastingplichtige waren opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn.