16 december 2010 | Rechtbank | jurisprudentie | LJN BO4762, 09/798
Voor navordering van belasting over buitenlandse inkomsten of vermogensbestanddelen geldt een verlengde navorderingstermijn van 12 jaar in plaats van de gebruikelijke termijn van 5 jaar. De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld over de verlengde navorderingstermijn. Het Hof van Justitie voor de Europese Gemeenschappen heeft geoordeeld dat de verlengde navorderingstermijn niet in strijd is met het EG-recht, maar dat de belastingdienst door de verlengde navorderingstermijn geen vrijbrief krijgt om zaken op zijn beloop te laten.
In een door de rechtbank Breda behandeld geval ging het om informatie die de Nederlandse belastingdienst ontving vanuit België over een Luxemburgse bankrekening. Voordat deze informatie werd ontvangen had de inspecteur geen aanwijzingen over het mogelijk bezit van buitenlandse bankrekeningen van de belanghebbende. De rechtbank vond, gelet op de uitleg die de Hoge Raad heeft verstrekt van het arrest van het Hof van Justitie EG, in dit geval het toepassen van de verlengde navorderingstermijn niet in strijd met het EG-verdrag.
De belanghebbende meende dat de belastingdienst vrijwel direct na het ontvangen van de inlichtingen van de Belgische belastingdienst hem had kunnen identificeren als rekeninghouder en dus binnen de reguliere navorderingstermijn een aanslag had kunnen opleggen. De rechtbank was van oordeel dat de gegevens uit België niet meteen bruikbaar waren om aan individuele belastingplichtigen navorderingsaanslagen op te leggen. De rechtbank vond de verklaring van de belastingdienst dat er ongeveer twee jaren waren verstreken voordat de belanghebbende als rekeninghouder kon worden geïdentificeerd aannemelijk. Uitgaande van de dagtekening van de navorderingsaanslag (ruim anderhalf jaar later) vond de rechtbank dat de inspecteur voldoende voortvarend had gehandeld. De navorderingsaanslag was terecht opgelegd.