12 maart 2010 | Hoge Raad | jurisprudentie | LJN BJ9120, 43670bis
De belastingdienst heeft de bevoegdheid om een te lage aanslag te corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag, mits er sprake is van een nieuw feit. Dat is een feit dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de oorspronkelijke aanslag niet bekend was en niet bekend hoefde te zijn. De termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag bedraagt vijf jaar. Gaat het echter om buitenlandse inkomsten of vermogensbestanddelen dan geldt er een verlengde termijn van twaalf jaar. Deze verlengde navorderingstermijn vormt een belemmering van het vrije verkeer van geld, goederen of diensten. Als voor een dergelijke belemmering geen objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat is deze belemmering in strijd met het EG-verdrag. Zelfs als het overbrengen naar of het aanhouden in het buitenland van spaartegoeden is gedaan om de belasting te ontduiken kan de betrokken spaarder een beroep doen op de door het EG-verdrag gewaarborgde vrijheden.
De reden voor de invoering van de navorderingstermijn van twaalf jaren is het gebrek aan controlemogelijkheden van de belastingdienst op buitenlandse inkomens- en vermogensbestanddelen. Zo heeft Nederland niet met alle landen een overeenkomst tot inlichtingenuitwisseling en verhindert in andere gevallen het bankgeheim het uitwisselen van inlichtingen.
Volgens het Hof van Justitie EG is een langere navorderingstermijn voor belastingheffing over buitenlandse spaartegoeden toegestaan. Bepalend voor de feitelijke lengte van de termijn is of de belastingdienst beschikt over aanwijzingen voor het bestaan van buitenlandse spaartegoeden. Zijn dergelijke aanwijzingen er wel, en wordt een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de reguliere navorderingstermijn, dan mag de verlenging van de navorderingstermijn niet meer omvatten dan het noodzakelijke tijdsverloop voor het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en een redelijke periode voor het voorbereiden en vaststellen van de aanslag. Niet van belang is of de aanwijzingen voor het bestaan van buitenlandse spaartegoeden zijn verkregen binnen de reguliere navorderingstermijn of na afloop daarvan. Evenmin is van belang of er een regeling van wederzijdse bijstand bestaat tussen de lidstaten of dat de andere lidstaat een bankgeheim kent.
In een voorkomend geval heeft de Hoge Raad een uitspraak van de rechtbank vernietigd, omdat de rechtbank niet heeft onderkend dat de navorderingsaanslagen mogelijk te laat zijn opgelegd. Na verwijzing moet worden onderzocht of de termijn tussen het tijdstip waarop de belanghebbende aanwijzingen heeft verstrekt en de dagtekening van de navorderingsaanslagen langer is geweest dan nodig.