11 juni 2010 | Rechtbank | jurisprudentie | LJN BM5716, AWB 09/2439 VPB
De belastingdienst is gebonden aan een uitdrukkelijke beoordeling van de fiscale gevolgen van een bepaalde situatie bij een belastingplichtige, tenzij deze beoordeling in strijd is met de wet. De belastingplichtige mag erop vertrouwen dat de belastingdienst deze zienswijze hanteert, tot er uitdrukkelijk en voor de toekomst een ander standpunt wordt ingenomen. Een beoordeling van fiscale gevolgen kan door de belastingdienst op verzoek van de belastingplichtige worden gegeven of zijn vastgelegd in het rapport naar aanleiding van een onderzoek door de belastingdienst.
Een BV hield zich bezig met de exploitatie en de aan- en verkoop van onroerende zaken. Aanvankelijk beschouwde de BV alle panden als handelsvoorraad, maar met ingang van 1987 werden verhuurde panden die de BV drie jaar of langer in bezit had als bedrijfsmiddel aangemerkt. De boekwinsten bij verkoop van die panden werden toegevoegd aan de herinvesteringsreserve. Sinds de stelselwijziging werd bij de aankoop van een pand bepaald of het een bedrijfsmiddel was of onderdeel van de handelsvoorraad. Afhankelijk daarvan werd een deel van de herinvesteringsreserve op de aankoopprijs afgeboekt.
In 1990 stelde de belastingdienst een controle in bij de BV. Het sinds 1987 gehanteerde stelsel van waardering werd door de belastingdienst akkoord bevonden. In 2006 werd weer een boekenonderzoek door de belastingdienst ingesteld, dat in 2007 werd afgerond. Volgens het rapport van dat onderzoek was vorming van een herinvesteringsreserve voor de verkoop van onroerende zaken bij de BV niet mogelijk omdat alle panden tot de voorraad behoorden. Dat leidde tot een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2002 en het aanbrengen van correcties op de winst bij het vaststellen van de aanslagen over 2003 en 2004.
Volgens de Rechtbank Den Haag had de belastingdienst door na het uitbrengen van het controlerapport uit 1990 bij de aanslagregeling steeds de zienswijze van de BV te volgen, het vertrouwen gewekt dat de BV een fiscaal aanvaardbaar systeem van waardering hanteerde. Dat betekende dat de belastingdienst niet met terugwerkende kracht een ander standpunt mocht innemen, maar pas met ingang van 2007. Ook de verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad uit 2005 baatte de belastingdienst niet. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat zaken binnen een onderneming tegelijkertijd kenmerken van voorraad en van bedrijfsmiddel kunnen hebben. Afschrijving ten laste van de winst is dan wel mogelijk, maar toevoeging van de bij verkoop behaalde boekwinst aan een herinvesteringsreserve niet. Volgens de rechtbank was het gewekte vertrouwen door dat arrest niet opgeheven.