Vorming voorziening

19 september 2008 | Hof Den Bosch | jurisprudentie | LJNBG4130, 04/01682

Volgens de Hoge Raad is de vorming van een voorziening mogelijk voor toekomstige uitgaven die hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden, die zich in de periode voor de balansdatum hebben voorgedaan en die aan deze periode kunnen worden toegerekend, mits er een redelijke mate van zekerheid is dat de uitgaven gedaan worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met de toestand op de balansdatum. Ook als deze toestand op de balansdatum pas later bekend is geworden, is vorming van een voorziening mogelijk. Het Openbaar Ministerie nam in 1996 een bedrag van ƒ 527.325 (€ 239.289) in beslag bij een ondernemer die een geldwisselkantoor dreef. Hem werd in dat jaar meegedeeld dat het OM een ontnemingsvordering zou instellen omdat hij wederrechtelijk een financieel voordeel had verkregen. De rechtbank veroordeelde de ondernemer tot een gevangenisstraf van zes jaren wegens het verwerven, voorhanden hebben of overdragen van geld waarvan hij wist dat dit door een misdrijf was verkregen. Hof Den Bosch was van oordeel dat de ondernemer onder deze omstandigheden een voorziening ten laste van de winst van 1996 mocht vormen voor het bedrag van de ontnemingsvordering. De toekomstige last uit een eventueel vonnis tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen financiële voordeel vond zijn oorsprong in gebeurtenissen van voor 31 december 1996 en konden worden toegerekend aan perioden voor die datum. Na balansdatum 31 december 1996 maar vóór de aanslag inkomstenbelasting over 1996 definitief vast stond had de rechtbank de ontnemingsvordering toegewezen. Het vonnis van de rechtbank is in 2003 in hoger beroep door het Gerechtshof Arnhem gedeeltelijk bekrachtigd.