14 mei 2007 | Hof Amsterdam | jurisprudentie | LJN: AV4588, 04/01610
Een DGA was eigenaar van een bedrijfspand dat hij verhuurde aan zijn BV. Met de invoering van de wet IB 2001 viel dit verhuurde pand onder de terbeschikkingstellingsregeling van box 1. Omdat de waardeontwikkeling vanaf dat moment belast is moest er een vaststelling komen van de waarde van het pand op 1 januari 2001. De DGA nam in zijn aangifte een waarde op van ƒ 3.150.000. Dit bedrag was gebaseerd op een gecorrigeerd taxatierapport, nadat de taxateur eerder een waarde van ƒ 2.700.000 had vastgesteld. De inspecteur accepteerde deze waarde niet en stelde de waarde van het pand op ƒ 2.500.000. In januari 2001 deed een derde een bod van ƒ 2.775.000 op het bedrijfspand, uitgaande van een hogere huur dan de op dat moment geldende huurprijs. De DGA wees dit bod af. Het pand werd eind 2004 verkocht voor een bedrag van € 1.450.000. In de procedure over de aanslag inkomstenbelasting 2001 van de DGA nam Hof Amsterdam het bod van ƒ 2.775.000 als uitgangspunt voor de waarde van het pand. De inspecteur moest bewijzen dat de waarde lager was dan dat bedrag, maar slaagde daar niet in. Vervolgens moest de DGA bewijzen dat de waarde hoger was dan dat bedrag, maar hij slaagde evenmin in zijn bewijs. Het gecorrigeerde taxatierapport vond het Hof onvoldoende onderbouwd. Het Hof rondde de waarde van het pand per 1 januari 2001 af op ƒ 2.800.000.