Waardering vordering

14 januari 2010 | Hof Leeuwarden | jurisprudentie | LJN BK8646, BK20/09

Een belegger had geld gestoken in wat achteraf een beleggingspiramide bleek te zijn. Op de inleg waren hoge rendementen gegarandeerd. Bij een onderzoek dat begin 2005 plaats had kwam aan het licht dat al vanaf 2003 de inleg niet of nauwelijks meer werd belegd, maar werd gebruikt voor het uitbetalen van de gegarandeerde rendementen en hoofdsommen aan andere beleggers.

De vordering die de belegger had op de persoon bij wie hij zijn geld had ondergebracht bedroeg op 1 januari 2004 € 162.000 en op 31 december 2004 € 272.500, zonder rekening te houden met de later bekend geworden feiten. In de aangifte waardeerde de belegger zijn vordering aan het einde van het jaar 2004 op € 24.000. Aanvankelijk volgde de belastingdienst dat standpunt, maar later werd dat gecorrigeerd door het opleggen van een navorderingsaanslag.

De rechtbank Leeuwarden was van oordeel dat bij de waardering van de vordering op 31 december 2004 rekening moest worden gehouden met de later bekend geworden feiten. De rechtbank vond niet van belang dat deze belegger begin 2005 nog rendement op zijn vordering ontvangen had. In hoger beroep volgde Hof Leeuwarden de zienswijze van de rechtbank. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet bij de waardering van een vordering op een bepaald tijdstip niet alleen rekening worden gehouden met de waardebepalende omstandigheden die op dat moment aan de deelnemers aan het economische verkeer bekend zijn of kunnen zijn, maar ook met wat na dat tijdstip bekend is geworden over de destijds bestaande werkelijke toestand van de vordering. Vergelijkbare jurisprudentie is gewezen voor de waardering van andere vermogensbestanddelen in verband met de heffing van verschillende belastingen. Naar het oordeel van het hof geldt deze jurisprudentie ook bij de waardering van vermogensbestanddelen bij de bepaling van de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen.