Werknemer in dienst van buitenlandse dochtermaatschappij heeft recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing

14 mei 2007 | Hof Arnhem | jurisprudentie | LJN-nummer: AE5296 Zaaknr: 01/02338

In internationale verhoudingen is voor de bepaling van het recht om belasting te mogen heffen over inkomsten uit dienstbetrekking van belang in welk land de werkgever is gevestigd. Een in Nederland wonende werknemer werd door zijn Nederlandse werkgever te werk gesteld bij een buitenlandse dochtermaatschappij. De werknemer stelde als voorwaarde voor zijn tewerkstelling, dat hij formeel in Nederlandse dienst zou blijven. De buitenlandse dochter betaalde alle kosten en was degene, die feitelijk bepaalde, wat de inhoud van de werkzaamheden was. De Nederlandse maatschappij bemoeide zich daar niet mee. In verwijzing heeft het Hof vastgesteld, dat de buitenlandse dochter als werkgever is aan te merken. De werknemer had daarom recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing.